24 november 2009
Drie documentaires peilden de diepte van het medium televisie. Monsieur Advertising – Marcel Bleustein-Blanchet idealiseert de opkomst van de gelijknamige Franse mediatycoon. Videocracy hekelt de machtsbasis van de Italiaanse tv-baas en president Berlusconi. En Double Take fileert de door televisie aangewakkerde angst voor de Russen met een vette knipoog naar Hitchcock. Door Karin Wolfs
Wie durft er nog nee te zeggen tegen de Mexicaanse griepprik? Tegen de inruilpremie voor zijn oude, milieuvervuilende auto? Tegen het nieuwe, ‘milieuvriendelijke’ model? Als je iets maar vaak genoeg hoort en ziet, ga je vanzelf geloven dat het van belang is. Ga maar eens in tegen de massamedia. Zeg maar eens nee tegen de tv. ‘Een apparaat dat tranen in de ogen laat opwellen’, zo omschrijft master of suspense Alfred Hitchcock de televisie in een fragment dat te zien is in Double Take. Daarin koppelt regisseur Johan Grimonprez de Koude Oorlog aan Hitchcock en de opkomst van de televisie.
Speciale aandacht is er voor het zogenaamde
Kitchen Debate: het eerste politieke debat dat op televisie werd uitgezonden, tussen de Russische president Chroestsjov en de Amerikaanse president Nixon tijdens een bezoek aan Moskou in 1959. Hoewel het er gemoedelijk aan toe leek te gaan, ligt daar de kiem van de beeldvorming over de Koude Oorlog. We zien twee overjarige opscheppertjes tegen elkaar opbieden. Wie de angsten en verlangens van de kijker kent, kan die naar hartelust manipuleren. Dat wist Hitchcock, maar dat wist ook
Bleustein-Blanchet, de Parijse meubelverkoper die midden jaren twintig een advertentiebureau begon, vervolgens het eerste commerciële radiostation van Frankrijk lanceerde, later televisiecommercials introduceerde en ten slotte opklom tot media-adviseur van generaal De Gaulle. In een reclamefilmpje voor theemerk Lipton uit 1939 koppelt hij het inlossen van een romantische belofte moeiteloos aan de kwaliteit van het kopje thee dat de dame in kwestie de man van haar dromen voorschotelt.
Geile kijker
Hoezeer de tentakels van de televisie verstrengeld zijn met die van de macht is te zien in Videocracy, over het imperium van de Italiaanse televisiebaas en president Silvio Berlusconi. Een afschrikwekkend eigentijds voorbeeld van een land dat wordt geleid door een televisiebaas, geassisteerd door een van zijn voormalige

‘velina’s’ als
minister voor Emancipatie. Volgens de makers – maar hoe betrouwbaar zijn die eigenlijk in het beeld dat zij ons voorschotelen? – droomt tachtig procent van de jonge vrouwen in Italië ervan velina te zijn: een schaars geklede televisieshowgirl die tijdens een danspauze een halve minuut de geile kijker moet zien te boeien. De aftiteling vermeldt de koude feiten: op de wereldranglijst scoort Italië een bedroevende 84ste plaats qua gelijkheid van de seksen. Voor tachtig procent van de Italianen is televisie de belangrijkste bron van informatie.
‘Iedereen kan populair worden’, zegt Lele Mora, de man die achter de schermen van de Italiaanse televisie aan de touwtjes trekt, in Videocracy. ‘Je hoeft alleen maar gezien te worden.’ En hoe. In een campagnefilmpje bezingen vrouwen overal in het land Berlusconi als een geschenk van God. Propaganda in karaokevorm, zodat de kijker thuis gezellig mee kan zingen: ‘Dank God dat Silvio bestaat.’
Ook in Monsieur Advertising wordt gesuggereerd dat Bleustein-Blanchet, die zichzelf liefst als een creatief genie presenteert, connecties had met de Schepper. Niet toevallig koos hij ervoor de vijftiende verjaardag van zijn machtige publiciteitsbureau te vieren op Versailles, het thuis van de door god gezonden zonnekoning. Grimonprez vermeldt op zijn beurt in Double Take smaakvol dat president Kennedy werd vermoord op de dag nadat hij Hitchcock een uitnodiging had gestuurd voor lunch op het Witte Huis.
Toni Montana
In de zorgvuldig geregisseerde presentatie van hun imago doen Bleustein-Blanchet, Hitchcock en Berlusconi nauwelijks voor elkaar onder. Bleustein met zijn tot dubbel kanonschot gepimpte familienaam Bleustein-Blanchet. Hitchcock met zijn in een knusse huiskamer opgevoerde televisiepraatjes, de onafscheidelijke sigaar binnen handbereik. Berlusconi die zelfs regelrechte geschiedvervalsing niet schuwt: foto’s die zijn imago kunnen schaden laat hij uit archieven verwijderen. Want wat niet op beeld staat, is niet gebeurd. Waarom weten we allemaal wie de eerste man op de maan was, maar is de eerste man in de ruimte alweer min of meer vergeten? Omdat daar geen televisiecamera bij was!
Wat de werkelijkheid is, doet er steeds minder toe; het gaat erom hoe die wordt gepresenteerd. Dat blijkt als Fabrizio Corona, de rechterhand van mediatycoon Lele Mora, in Videocracy over zichzelf praat als een ‘karakter’, vergelijkbaar met Toni Montana in
Scarface. Corona is een televisiepersoonlijkheid sinds hij in de gevangenis belandde voor het afpersen van Italiaanse celebrities. De foto’s die zijn papparazzi maken verkoopt hij niet aan bladen, maar aan de celebrities zelf, omdat die er meer voor over hebben om hun imago te beschermen.
In Double Take is het niet zozeer het bestaan van een dubbelganger dat Hitchcock beangstigt, maar het feit dat hij daarmee de regie dreigt te verliezen over hoe de wereld hem ziet: ‘Ik riskeerde een karakter te worden in andermans film.’
Pistool

De televisie is een spiegel, zeggen alledrie de films op een of ander punt. Waar Monsieur Advertising nog blijmoedig verkondigt dat commercials de collectieve verbeelding presenteren van ‘een ideale wereld van luxe, dromen en plezier’, is het bij Videocracy en Double Take een regelrecht ‘kijk en huiver’. Hoe de Amerikanen de Russen bekeken, zei misschien wel meer over henzelf dan over de Russen. De control room van Big Brother is een ‘spiegel van de visies van de president’.
De enige die in Monsieur Advertising bezwaar maakt tegen de (tele)‘visie’ van Bleustein- Blanchet is filmmaker Jean-Luc Godard, de voorman van de Franse
Nouvelle Vague. ‘Reclame heeft, net als het fascisme, geen moraal: het is een techniek’, zegt Godard.
Een mooiere illustratie daarvoor is niet denkbaar dan het laatste shot van Monsieur Advertising. Daarin poneert de inmiddels overleden Bleustein-Blanchet zijn verbondenheid met de (eeuwige) jeugd. Zijn uitspraak wordt geïllustreerd met de geregisseerde blik van een verleidelijk kijkend, broodmager tienermodel. Kijk beste kijker, dat is nou de jeugd van tegenwoordig. Tenminste – zoals de televisie haar aan ons verkoopt. Of zoals Hitchcock vijftig jaar geleden al wist: ‘Televisie is als een pistool: het genot hangt af van aan welke kant je staat.’