Het strijdtoneel van de medeplichtigheid (Of: Are You Loathsome Tonight?)

    Filmcriticus Neil Young (The Hollywood Reporter, Sight & Sound) reflecteert op focusprogramma The Villain.

    Alan Rickman was eens op een feestje, waar het ietwat brutale kind van een vriend hem vroeg: “Alan, waarom speel je altijd schurken?” Het ijzige antwoord: “Ik speel geen ‘schurken’. Ik speel heel interessante mensen.” De aantrekkingskracht van de antagonistenrol op acteurs is algemeen bekend: de duivel heeft de beste liedjes, en meestal ook de beste tekst. Schurken, onverlaten en booswichten spreken acteurs (en publiek) aan door hun complexe gelaagdheid: Joaquin Phoenix’ overweldigende rol als de titel- en antiheld van Joker was een van de belangrijkste redenen dat Todd Philips’ film in Venetië de Gouden Leeuw won.

    Aldus Phoenix: “Ik was geïnteresseerd in de lichte kant [van het personage], bij gebrek aan een beter woord. Niet alleen de gekweldheid; zijn worsteling om geluk te vinden, om zich verbonden te voelen, om warmte en liefde te vinden.” Hij is al een veelbesproken kanshebber om in februari naar huis te gaan met de Oscar voor Beste Hoofdrol, waarmee hij (zoals eerder Jack Nicholson en Heath Ledger) bevestigt dat de vlot gebekte aartsvijand van Batman het enige personage uit een strip/superheldenuniversum is dat de erkenning van de Academy voor zich kan winnen.

    De fascinatie met de “bad guy” (en girl) gaat veel verder terug dan de uitvinding van film. De 17e eeuw was een bijzonder rijke periode voor extreem valse, schokkend slechte en weerzinwekkende personages. Van Shakespeare – in het stuk dat zijn naam draagt, krijgt Othello minder tekst dan zijn tegenstander Iago, die belichaming van “ongemotiveerde kwaadaardigheid” – tot Jacobijnse wraaktragedies en Paradise Lost. Miltons epische gedicht uit 1667 wordt grotendeels gedomineerd door een onweerstaanbaar charismatische, dynamische en welbespraakte Satan, wiens motto “better to reign in Hell, than serve in Heaven” (het is beter te heersen in de Hel, dan te dienen in de Hemel) al snel onderdeel van de taal werd.

    Hoewel het bioscooppubliek al sinds de tijd van Lon Chaney, Tod Slaughter en Eric Von Stroheim enthousiast heeft gesist naar de vele mannen en vrouwen die we haten met plezier, liggen de zaken veel ingewikkelder in de wereld van de non-fictie. De wandaden van echte “schurken” – zoals de eclectische verzameling booswichten in het speciale IDFA-programma van dit jaar – kunnen verschrikkelijke gevolgen hebben voor echte mensen. Hun slachtoffers bloeden, ze lijden fysieke en/of economische ontberingen, ze gaan dood. En wanneer extreme kwaadaardigheid voorkomt op het hoogste regeringsniveau – zoals in Barbet Schroeders General Idi Amin Dada: A Self Portrait en Oppenheimers The Look of Silence – dan sterven ze zelfs in groten getale, op vreselijke wijze, en met achterlating van afschuwelijk diepe littekens in de samenleving.

    Iedere documentairemaker die ervoor kiest een dergelijk onderwerp te behandelen, betreedt gevaarlijk terrein: prudentie is geboden, want de overlevenden van de gruweldaden (en/of hun familieleden) zouden in het publiek kunnen zitten. En wanneer de daders nog in leven en actief zijn, steken netelige vragen over verantwoordelijkheid onontkoombaar de kop op: alleen al het feit dat er een hele film aan zo iemand gewijd wordt, streelt een ego dat in de meeste gevallen toch al flink opgeblazen is. Neem Alison Klaymans The Brink, waarin de populistisch-nationalistische demagoog Steve Bannon een paar maanden gevolgd wordt. In zijn recensie van de film in het tijdschrift POV stelt Pat Mullen: “Moeten documentairemakers wel films maken over ultraconservatieve, giftige smeerlappen als Steve Bannon? Het antwoord na het kijken [van de film] is, helaas, “Ja.” Het roept onvermijdelijk vragen op over Klaymans verantwoordelijkheid wanneer ze Bannon zo veel aandacht en zendtijd geeft. Er zijn momenten waarop The Brink Bannon bijna menselijk maakt…”

    Zoals meerdere films in het Villain-programma, is The Brink een veelzijdig portret, dat met name Bannons links georiënteerde vijanden, die een naar zwavel stinkend gedrocht met hoorntjes en een staart verwachten te zien, wel eens zou kunnen verrassen en ontwapenen. Een groot deel van de speelduur is Bannon charmant, geestig, vol van zelfspot en zelfs gevat. Een grote verrassing zou dat niet moeten zijn: je kunt geen decennialange carrière in de media en politiek opbouwen zonder charisma en sociale vaardigheden. Maar deze talenten betekenen geen excuus voor, of verzwakking van Bannons “giftigheid”. Net zoals bij Miltons Satan maken positieve eigenschappen nog geen sympathiek of bewonderenswaardig persoon: in feite zijn deze individuen misschien nog wel verachtelijker omdat ze hun aanzienlijke vaardigheden inzetten om de “duistere kant” te dienen.

    En hoewel Klayman het geestige blaaskakencharisma van Bannon zeker niet onderbelicht, zorgt de structuur van haar film uiteindelijk voor een cruciale ontkrachting. Het merendeel van de speelduur wordt besteed aan Bannon in een staat van triomf. Tegen het einde zien we echter de enorme teleurstelling over de tussentijdse verkiezingen in de VS: als hij het nieuws te horen krijgt, verzuurt Bannons amicaliteit tot grofgebekte agressie. Al met al wijst The Brink regisseurs een mogelijke weg om de beschuldiging van medeplichtigheid met het verwerpelijke gedrag van hun onderwerp te vermijden: met extreem geduld moet de filmmaker uiteindelijk genoeg materiaal zien te verkrijgen om de ware aard van de geportretteerde aan het licht te brengen.

    Er zijn uitzonderingen, met als meest intrigerende voorbeeld Omar Amiralays The Man with the Golden Soles, een profiel van Rafik Hariri uit 2000 – toen Hariri nog premier van Libanon was, vijf jaar voor de moordaanslag waarbij hij omkwam. Gestructureerd rond een reeks een-op-een-interviews tussen Amiralay en Hariri is de film een behoedzame dans van manipulatie en intellectueel schermen. Nadat hij met succes de Libanese politieke klasse en het gewone volk voor zich heeft gewonnen (en hen, zo leerden we later, volledig heeft bedrogen), gelooft Hariri begrijpelijkerwijs dat hij zelfs een sceptische, kritische filmmaker omver kan blazen. Beperkt door het respect dat een staatshoofd nu eenmaal afdwingt, wordt Amiralay regelmatig op het verkeerde been gezet door zijn “opponent” – maar hij krijgt het laatste woord in zijn afgewogen, rustige voice-over, waarmee hij geleidelijk een overtuigende aanklacht tegen Hariri’s verraad opbouwt.

    Misschien liet Amiralay zich inspireren door Barbet Schroeder, die in 1974 de grondregels voor dit subgenre schreef met zijn “zelfportret” van Amin (waarin de generaal, net als Hariri en Bannon, graag in de derde persoon over zichzelf spreekt). Schroeders enige directe voice-over is te horen in de laatste seconden van de film: “Laten we na een eeuw kolonisatie niet vergeten dat het deels een misvormd beeld van onszelf is, dat Idi Amin reflecteert.” Elders gebruikt Schroeder een compleet emotieloze Britse verteller voor snijdende afstandelijkheid: “In 1972, na een droom (!), verklaarde generaal Amin de economische oorlog…” informeert hij ons vroeg in de film. Deze introductie kleurt alles wat volgt in dit portret waarin we de reusachtige, genocidale generaal – door Time Magazine zelfs in 1977 nog omschreven “een dwaas met een groot hart” – zien op het toppunt van zijn krankzinnige grandeur. Amin, tegenwoordig al lang ontmaskerd als moorddadige despoot, toont in de film zijn humor, zijn zelfspot, zijn charmante kant zelfs. Wederom zijn montage, structuur en vertelstem echter cruciaal, zoals wanneer die Brit met kalme stem vertelt over een onfortuinlijke ambtenaar die zich presidentieel misnoegen op de hals haalde, en binnen enkele weken een bloedige dood stierf.

    Schroeders krachtigste keuze is aan het eind van de film een ontmoeting te tonen waarin we eindelijk directe toegang krijgen tot het ware gezicht van het kwaad (het soort catharsis dat het sub-genre in zijn beste vorm te bieden heeft). Terwijl Amin een onschuldige, maar tactloos geformuleerde vraag van een dokter aanhoort, komt Nestor Almendros’ camera steeds dichter bij de regent, wiens gezicht onbegrip uitstraalt en dan langzaam bevriest in ijskoude verachting. Maar de camera is aanwezig, natuurlijk. De wereld kijkt, natuurlijk. En Amin weet dat. Zweetdruppels verschijnen haast onzichtbaar op zijn gezicht. We horen Amins moeizame ademhaling, zelfs het geluid van een afgeknepen slikje, ergens diep in die stierennek. En dan zien we zijn sterke handen: langzaam wrijvend van beestachtig ongeduld, vlekkeloos schoon, en druipend van het onzichtbare bloed.

    Neil Young is een filmcriticus, programmeur/curator en filmmaker uit Sunderland, Engeland, nu wonend in Wenen. Hij schrijft onder meer met regelmaat voor The Hollywood Reporter en Sight & Sound. Hij is internationaal programmeur voor het European Film Festival van Palić, Servië en werkt voor enkele andere Europese filmfestivals in verschillende rollen.

    Focus: The Villain

    • 26 september 2019