
Internationale zorgen om vervolging van filmmaker Rojhilat Aksoy
De Koerdische filmmaker en festivalorganisator Rojhilat Aksoy staat terecht voor het vertonen van een film over de Armeense genocide. Haar zaak past in een bredere ontwikkeling waarin kritische stemmen en minderheidsverhalen in Turkije steeds verder onder druk komen te staan.
Op 6 april moet de Koerdische filmmaker en festivalorganisator Rojhilat Aksoy voor de rechter verschijnen in het Turkse Diyarbakır. Ze wordt aangeklaagd op basis van artikel 301 van het Turkse strafrecht, omdat ze de documentaire Aurora’s Sunrise vertoonde — een film over de Armeense genocide. Volgens justitie zou ze daarmee “de Turkse natie hebben beledigd”.
Aksoy was op dat moment vicevoorzitter van de Middle-Eastern Cinema Academy Association, een organisatie die zich al jaren inzet voor de zichtbaarheid van Koerdische film en cultuur, onder meer via het Amed Film Festival. Hun activiteiten worden echter steeds vaker bemoeilijkt: vertoningen worden op het laatste moment geannuleerd, festivals stilgelegd en financiering blijft uit.
De zaak tegen Aksoy staat niet op zichzelf. Ze past binnen een bredere ontwikkeling waarin Koerdische en Armeense verhalen en makers onder toenemende druk staan. Sinds begin 2026 zijn meerdere films van Koerdische filmmakers verboden of geweerd van festivals in Turkije.
Aksoy verwerpt de beschuldigingen en stelt dat het organiseren van de vertoning valt onder vrije meningsuiting en artistieke expressie. Mensenrechtenorganisaties, waaronder de International Coalition for Filmmakers at Risk (ICFR), spreken van een zorgwekkende escalatie en roepen de Turkse autoriteiten op om de aanklachten onmiddellijk te laten vallen.
Lees het volledige bericht van ICFR hier in Engels.